** GERRIT **


Onze Hersenen



Hoe werken onze hersenen?
Sterk vereenvoudigd ongeveer als volgt.
Hersenen bestaan uit een enorm netwerk van zenuwcellen (neuronen) die signalen aan elkaar door geven. Het afgeven van zo’n signaal wordt ‘vuren’ genoemd.
Iedere cel is via vertakkingen verbonden met vele andere cellen.
Er zijn twee soorten signalen: remmende en stimulerende. Krijgt een cel meer stimulerende dan remmende prikkels dan gaat hij zelf sneller ‘vuren’, in het andere geval langzamer. (Een neuron in rust vuurt met een bepaalde frequentie.)
Het is duidelijk dat dit systeem in staat is tot allerlei geavanceerde informatieverwerkende processen. Maar is het ook mogelijk om vanuit dit systeem ons bewustzijn, onze subjectiviteit te verklaren?



Naar mijn mening niet.
Hier volgt een aantal redenen.

1) Er zijn mensen met vrijwel geen hersenen die verder normaal zijn.

2) Gedurende perioden van hersendood blijken mensen te kunnen denken en waarnemen.

3) Een natuurkundige verklaring van bewustzijn is niet mogelijk.

4) Een computer kan niet over bewustzijn beschikken en daarom onze hersenen ook niet.



1) Er zijn mensen met vrijwel geen hersenen die verder normaal zijn.

Er bestaat een sprookje. Het sprookje is dat 90 procent van de menselijke hersenen niet gebruikt worden. Dit fabeltje ontstond in de tijd dat men nog nauwelijks iets wist van de hersenen en het wordt helaas heden ten dage nog steeds verkondigd. Het zou evolutionair gezien natuurlijk belachelijk zijn als de mens zo’n groot onhandig orgaan zou moeten meesjouwen zonder dat het een functie had. Dat is dan ook niet zo, inmiddels heeft men van vrijwel ieder gebied van de hersenen de functie kunnen bepalen. Ook heeft men ontdekt dat de hersenen van een mens, in tegenstelling tot die van dieren, gelateraliseerd zijn. De hersenen bij dieren zijn voor een groot gedeelte ‘dubbel’ uitgevoerd, enorme beschadigingen kunnen moeiteloos worden opgevangen. Bij de mens is dat helaas niet zo. Het spraakcentrum zit bijvoorbeeld in de linkerhersenhelft, treedt daar een beschadiging op dan kan iemand niet meer praten. Hoe groter de beschadiging, hoe groter de functie uitval. Tenminste, dat is de theorie.

Maar die theorie klopt niet altijd.

De Engelse neuroloog John Lorber onderzocht mensen die als kind aan een hydrocephalus (waterhoofd) leden. Velen daarvan bleken later ondanks enorme hersenbeschadigingen over een normaal IQ te beschikken. Zelfs in de groep mensen die over minder dan 5% van de normale hersenmassa beschikte, bleek toch nog de helft normaal te zijn. Een jongeman die hoogbegaafd was, bleek zelfs over vrijwel helemaal geen hersenen te beschikken!
Als onze cognitieve functies het product zijn van hersenactiviteit, is het duidelijk dat het bovenstaande gewoonweg niet kan. Een enorme afname van de hersenmassa heeft dan onvermijdelijk grote gevolgen voor de totale hoeveelheid hersenactiviteit. Dit moet dan leiden tot een afname van de cognitieve functies. Dit is echter niet het geval.
En dus – zijn de bestaande theorieën die er op neerkomen dat de menselijke subjectiviteit samenvalt met zijn hersenactiviteit, of er een resultaat van is, weerlegd.


2) Gedurende perioden van hersendood blijken mensen te kunnen denken en waarnemen.

In Engeland werd een onderzoek verricht bij mensen die klinische dood waren na een hartaanval en toch herstelden. Ondanks het ontbreken van hersenactiviteit bleken een aantal van hen, volgens hun eigen herinneringen, toch helder te kunnen denken en waarnemen.
Mensen blijken helder te kunnen denken en bewust te zijn terwijl ze niet ademen, hun hart stil staat en hun hersenen geen activiteit vertonen.


3) Een natuurkundige verklaring van bewustzijn is niet mogelijk.

Als we beweren dat ons bewustzijn het resultaat is, of samenvalt, met activiteit van de hersenen, dan geven we, vanuit breder wetenschappelijk perspectief gezien, een natuurkundige verklaring van het verschijnsel bewustzijn. Dit is echter iets dat onmogelijk is.
Een verklaring van een verschijnsel is alleen dan een echte verklaring, wanneer het te verklaren verschijnsel (explanandum) niet al in het verklarende verschijnsel (explanans) is opgenomen. Als dat wel zo is, zou de verklaring circulair zijn.
Nu is het zo dat op het niveau van elementaire deeltjes een deeltje pas zijn eigenschappen krijgt op het moment van waarneming. Daarvoor bestaat het alleen in de vorm van een waarschijnlijkheidsgolf (psi-functie). Deze waarschijnlijkheidsgolf is geen fysiek ding. Voor een waarneming is bewustzijn nodig. Als men een waarneming laat doen door een of ander meetapparaat, dan wordt ook dit complete systeem beschreven door een psi-functie. Anders gezegd: het bezit dan nog geen fysieke realiteit. Pas op het moment waarop het resultaat van de meting ‘verschijnt’ aan een bewustzijn ontstaat die.
Dus: omdat bewustzijn ten grondslag ligt aan onze fysische werkelijkheid, kan een onderdeel van die fysische werkelijkheid – de menselijke hersenen - niet gebruikt worden als verklaring voor bewustzijn.


4) Een computer kan niet over bewustzijn beschikken en daarom onze hersenen ook niet.

Dit argument is gebaseerd op de analogie tussen hersenen en computer. Zoals gezegd, de hersenen bestaan uit zenuwcellen die signaaltjes naar elkaar toesturen. Er lijkt geen enkele reden te zijn waarom dit informatie verwerkende proces ook niet door een computer uitgevoerd zou kunnen worden.
Zo is het netvlies van het menselijk oog een soort minibrein. Er vindt daar al een hoop informatie verwerking plaats voordat het signaal via de oogzenuw wordt doorgestuurd naar de hersenen. Dit proces is volledig beschreven. In theorie zou je het netvlies kunnen vervangen door een chip die precies hetzelfde doet. Dit is nu technisch nog niet mogelijk, voornamelijk omdat de chip veel te groot zou worden. Maar de verwachting is dat dit in de toekomst wel kan.
Anders gezegd, het informatie verwerkende proces in onze hersenen zou net zo goed op een niet biologische computer kunnen plaatsvinden. Voor wat het proces doet of genereert maakt dat niets uit.

Dat wil zeggen dat alle argumenten die aangeven waarom een computer niet over bewustzijn kan beschikken ook geldig zijn voor de menselijke hersenen. Wat zijn deze argumenten?

- Informatie is geen bewustzijn.

Een computer bestaat uit het apparaat (hardware) en de programma’s die er op draaien (software). Alle programma’s die er op draaien zijn informatie. Wat is informatie? Alles wat je aan een ander kunt meedelen, kunt uitleggen, alles wat je door een telefoonlijn kunt sturen. Hieruit volgt dat als een computer (of onze hersenen) op de een of andere manier bewustzijn produceert, bewustzijn informatie moet zijn. En dus zou het mogelijk moeten zijn om uit te leggen wat bewustzijn is.
Kunnen wij uitleggen wat bewustzijn is? Om dat te testen zouden we het eigenlijk moeten proberen uit te leggen aan iemand die niet weet wat het is, iemand die geen bewustzijn heeft. Dat kan natuurlijk niet.

Maar er zijn wel mensen die een deel van het normale menselijk bewustzijn missen. Als het mogelijk is om uit te leggen wat bewustzijn is, moet het ook mogelijk zijn om een deel van het bewustzijn te beschrijven.

Bijvoorbeeld: iemand die blind geboren is, mist in zijn bewustzijn de gewaarwording van kleur. Kunnen we aan iemand die blind is uitleggen wat kleur is? Het is duidelijk dat dit niet kan. We kunnen een eeuwigheid blijven praten, maar woorden zullen aan iemand die blind is nooit duidelijk kunnen maken wat het is om de ondergaande zon te zien, of een veld vol korenbloemen.
Maar dit verhaal kan ik houden voor alle onderdelen van ons bewustzijn. De ervaring die we hebben als we luisteren naar mooie muziek, het gevoel van verliefd zijn etc., etc. Geen enkele component van ons bewustzijn is beschrijfbaar, en dus is ons bewustzijn als geheel niet beschrijfbaar. En dus is ons bewustzijn geen informatie en geen product van onze hersenen.

- Informatie verwerkende processen gaan niet gepaard met bewustzijn.

Wat gebeurt er in een computer? Een computer bevat op een bepaald moment een zekere hoeveelheid informatie. Dan worden er instructies uitgevoerd en de informatie verandert. Dit proces heet informatie verwerking. De informatie voorafgaande aan het proces heet de input, de informatie na afloop de output. De relatie tussen input en ouput is wiskundig volledig te beschrijven. Input, output en het proces tussen beide in, zijn alledrie informatie.
Laat ik een eenvoudig voorbeeld geven. Er is een computer die een piepje geeft zodra er ergens een rood lampje oplicht. Het camera beeld is hier de input; het signaal dat het piepje aanstuurt de output. Het werk zo. Er is een camera verbonden met de computer. Op de computer draait een programma dat via het beeld analyseert. Is een binnengekomen beeld ineens helderder dan het voorafgaande en bevat het veel meer rode pixels, dan wordt er een signaaltje naar een luidspreker gegeven.
Heeft de computer nu intern (subjectief) de gewaarwording van een rood lampje dat oplicht? Nee, natuurlijk niet. Daar is geen enkele reden voor. Het proces dat uitgevoerd wordt is volledig beschrijfbaar en begrijpbaar. Er is geen enkele reden waarom dat gepaard zou gaan met bewustzijn, het werkt perfect zonder. Er is ook geen enkel aanwijsbaar mechanisme dat die gewaarwordingen zou veroorzaken.
Maar het bovenstaande geldt voor ieder proces dat op een computer uitgevoerd wordt – en voor ieder proces dat onze hersenen uitvoeren.
Zo valt er bijvoorbeeld licht op het netvlies van ons oog, het zo ontstane beeld wordt bewerkt, en via de oogzenuw verder gestuurd naar de hersenen. In de hersenen wordt het binnenkomende beeld verder geanalyseerd. Zo is er bijvoorbeeld een gedeelte waar kleur wordt geanalyseerd, een gedeelte waar beweging wordt geanalyseerd etc. De hersenen zijn kennelijk heel modulair opgebouwd. Per module is er, net als bij een computerprogramma, steeds een input, informatieverwerking en output. En er is - net als bij een computerprogramma - geen enkele reden waarom dit proces met bewustzijn gepaard zou gaan.


© Gerrit Gielen 2008
www.gerrit-gielen.nl