Geest en Stof

>


Drie Visies

In ons dagelijks leven ervaren wij de wereld dualistisch: aan de ene kant is er ons innerlijk leven, gebaseerd op bewustzijn. Aan de andere kant is er de wereld rondom ons die uit dode stof, geregeerd door strakke fysieke wetten, lijkt te bestaan. Een scherpere tegenstelling lijkt nauwelijks denkbaar. Er bestaan eigenlijk drie opvattingen over dit probleem. Ieder menselijk geloof is tot één van deze drie opvattingen te herleiden.

1) Dualisme

Dit is het geloof dat geest en stof naast elkaar bestaan. Het menselijk lichaam is in deze opvatting een soort machine die een spook bevat. Dit spook – of wat netter geformuleerd, de ziel of de geest – leeft na het uiteenvallen van de machine (de dood) verder. Het grote probleem van deze opvatting is dat als geest en stof werkelijk totaal verschillend zijn, het niet te verklaren valt dat ze in de mens zo nauw samenwerken.

2) Er bestaat alleen stof

In dit geval zijn wij machines. Maar een machine heeft geen innerlijk leven zoals een mens dat heeft; alles wat er in een machine gebeurt, is beschrijfbaar en begrijpbaar. Innerlijke gewaarwordingen zoals een mens die kent vinden binnen een machine niet plaats. Geen licht, geen geluid, geen gevoel, geen schoonheid, geen liefde – geen bewustzijn. Het grote bezwaar tegen de opvatting dat wij machines zijn voelt iedereen diep in zijn hart: machines zijn niet menselijk. Wie werkelijk liefgehad heeft weet dat wij meer zijn dan machines.

3) Er bestaat alleen geest

Dit is de opvatting die overblijft. De geest, met name de menselijke geest, wordt hier als gegeven beschouwd. Maar hoe verklaren wij dan de materie, en de wetmatigheden die met materiële fenomenen gepaard gaan?

Een verklaring van ‘stof’

Ga eens uit van je eigen bewustzijn, wat je als mens ervaart, wat werkelijk bestaat in jezelf. Wat je voelt voor de mensen die jou nabij zijn, de gevoelens die je als kind had, hoe jij de wereld ziet. Je kunt aan een ander niet uitleggen wie jij als mens bent.

Toch kun je met een ander praten, communiceren, omdat je voelt dat er een soort innerlijke verwantschap tussen jou en die ander bestaat. Omdat je aanvoelt dat die ander min of meer vergelijkbare ervaringen heeft. Je gaat er vanuit dat als die ander het over de kleur rood heeft hij hetzelfde bedoelt als jij; dat als die ander het over verliefdheid heeft, hij dezelfde wonderbaarlijke ervaring bedoelt als jij.

Laten we nu eens samenvatten wat het bovenstaande betekent.

- Je bent zelf een geestelijk wezen; iets dat niet in woorden te beschrijven of in formules uit te drukken is.

- Er zijn anderen zoals jij.

- Je neemt die ander waar; als een object, als iets dat buiten jezelf ligt.

- Je kunt met die ander communiceren omdat er een innerlijke verwantschap bestaat. Door de communicatie wordt je je bewust van de ander als geestelijk wezen en begrijp je dat dat het ‘echte’ is aan de ander, net zoals dat bij jou zelf het geval is.


Dit alles is voldoende om de materiële werkelijkheid te verklaren. Omdat we de ander van ons gescheiden ervaren, nemen we hem als object waar. In het geval van onze medemensen voelen we de innerlijke verwantschap: we weten dat er achter het gezicht van de ander een wezen met bewustzijn schuil gaat. Maar bij ‘dingen’ waar we minder mee verwant zijn, zoals een boom of een steen. voelen we die verwantschap niet meer. We nemen alleen een object waar, de buitenkant.
En zo gaan we in de illusie geloven dat we omringd worden door een wereld van objecten zonder innerlijk: de materie.
De ander ís geen object; hij verschijnt alleen aan ons als object op het moment van waarneming. Voor alle andere dingen, zelfs een atoom, geldt hetzelfde. Dit is natuurlijk een vreemd idee, iets dat helemaal in strijd lijkt – en ook is – met de materialistische visie op de werkelijkheid. Toch wordt juist dit door de wetenschap bevestigd; terwijl diezelfde wetenschap niet in staat is het innerlijk van de mens te verklaren.


© Gerrit Gielen 2008
www.gerrit-gielen.nl